Als het startsein is gegeven, mag één deelnemer naar het speelveld komen en springt in een hoepel. De deelnemer die het kaartje vasthoudt, kijkt of hij op een bom is gestapt. Heeft diegene goed gesprongen, dan hoort hij niks. Springt hij in een foute hoepel, dan zegt degene met het kaartje: “BOM!”. Deze deelnemer moet dan weer terug naar zijn medespelers.
Is het de route gekraakt, dan mag de persoon die aan de overkant is gekomen, wisselen met de deelnemer die het kaartje vasthoudt. Er wordt een nieuw kaartje gepakt en spel begint weer opnieuw. Het gaat erom welk team de meeste routes heeft gekraakt binnen de afgesproken tijd.